In 2026 zijn we als nieuw college begonnen aan de raadsperiode van 2026-2030. We stellen dus voor het eerst de begroting op.
In deze programmabegroting 2027 leggen we uit wat we komend jaar willen doen én wat dit betekent voor de financiën van onze gemeente. Daarnaast kijken we ook verder vooruit: hoe staan we er financieel voor de komende jaren.
De acties en doelen die voortvloeien uit het collegeuitvoeringsprogramma hebben we in de begroting verwerkt en ook de financiële vertaling daarvan.
De programmabegroting 2027 is financieel sluitend. Dat is een verbetering ten opzichte van het beeld waarmee we deze begrotingscyclus zijn gestart. In de begroting 2026 was nog rekening gehouden met een onttrekking van € 784.000,-- uit de Vrij aanwendbare reserve (VAR) om 2027 sluitend te maken. Door de ontwikkeling van het financiële perspectief is deze algemene onttrekking niet meer nodig en wordt deze teruggedraaid. Wel zetten we reserves gericht in voor incidentele voorstellen en investeringen.
Ontwikkeling van het financiële perspectief
Het verbeterde beeld voor 2027 is het resultaat van verschillende ontwikkelingen. Een belangrijke positieve ontwikkeling is de meicirculaire 2026 van het gemeentefonds. Deze leidt tot een voordeel van € 3,1 miljoen in 2027. Ook in de jaren daarna is sprake van een positief effect. Daar staan hogere lasten tegenover, onder andere als gevolg van loon- en prijsontwikkelingen, indexatie van zorgbudgetten en subsidies en autonome ontwikkelingen binnen het sociaal domein en samenwerkingsverbanden.
Ook de rente- en financieringsramingen zijn geactualiseerd. In 2027 kunnen we langer gebruikmaken van onze beschikbare liquide middelen en is minder externe financiering nodig dan eerder werd verwacht. Naarmate de geplande investeringen worden uitgevoerd, neemt dit liquiditeitsoverschot af en ontstaat vanaf de volgende jaren een grotere behoefte aan externe financiering.
In het financieel perspectief zijn daarnaast de autonome ontwikkelingen, noodzakelijke vervangingsinvesteringen en de financiële vertaling van het collegeuitvoeringsprogramma verwerkt. Voor het collegeuitvoeringsprogramma is € 1,1 miljoen in 2027 en € 1,4 miljoen in 2028 opgenomen. Daarna neemt de aanvullende inzet af. Het grootste deel betreft extra capaciteit voor de woningbouwopgave. Daarnaast worden middelen ingezet voor onder andere het vitaal buitengebied, kansengelijkheid, mobiliteit en digitale dienstverlening.
Lokale lasten blijven in 2027 beperkt
Bij het opstellen van deze begroting is ook gekeken naar de financiële positie van onze inwoners. Voor 2027 wordt de opbrengst van de OZB met 3,2% verhoogd. Voor de afvalstoffenheffing en riool- en waterzorgheffing worden de tarieven niet verhoogd. Dit is mogelijk door een deel van de eerder via deze heffingen opgebouwde egalisatievoorzieningen in te zetten. De voorziening afvalstoffenheffing neemt daardoor af van circa € 2,0 miljoen begin 2027 naar € 0,2 miljoen eind 2030 en de voorziening rioolheffing van circa € 2,1 miljoen naar € 0,6 miljoen. De overige gemeentelijke tarieven, leges, heffingen en belastingen worden in beginsel met 0,1% verhoogd.
Een solide uitgangspositie, maar de financiële ruimte neemt af
De gemeente beschikt nog over een aanzienlijke reservepositie en voldoende weerstandsvermogen. Dat biedt ruimte om financiële risico's op te vangen. Tegelijkertijd is het belangrijk onderscheid te maken tussen het vermogen om risico's op te vangen en de structurele ruimte binnen de begroting. Reserves kunnen incidenteel worden ingezet, maar vormen geen structurele oplossing voor jaarlijks terugkerende tekorten.
De algemene reserves nemen af van circa € 38,3 miljoen eind 2026 naar € 36,9 miljoen eind 2027. Daarna blijft de omvang relatief stabiel. De bestemmingsreserves blijven gedurende de meerjarenperiode rond € 24 miljoen. Binnen deze reserves vinden wel verschuivingen plaats doordat middelen worden ingezet voor de doelen waarvoor ze zijn gevormd.
Ook de voorzieningen nemen af. Dit wordt in 2028 vooral veroorzaakt door de overgang van de APPA-pensioenverplichtingen naar het ABP. In de jaren daarna speelt vooral de hiervoor genoemde inzet van de egalisatievoorzieningen voor afval en riool een rol.
Investeringen en schuldpositie
De komende jaren wordt fors geïnvesteerd. Het gaat zowel om nieuwe ambities als om noodzakelijke vervanging en verduurzaming van bestaande kapitaalgoederen. De boekwaarde van de vaste activa neemt daardoor toe van circa € 161 miljoen eind 2027 tot circa € 176 miljoen eind 2030. Bij deze prognose is al rekening gehouden met enige vertraging in de uitvoering van investeringen.
Voor de financiering hiervan kunnen we aanvankelijk gebruikmaken van de beschikbare liquide middelen. Naarmate deze worden ingezet, neemt de externe financieringsbehoefte toe. De langlopende schuld daalt eerst van circa € 92 miljoen eind 2026 naar circa € 87 miljoen eind 2027, maar loopt daarna naar verwachting op tot circa € 109 miljoen eind 2030.
Dit betekent niet dat de investeringen niet kunnen worden uitgevoerd, maar wel dat investeringsbeslissingen steeds nadrukkelijker in samenhang moeten worden bezien met de ontwikkeling van de schuld, rentelasten en structurele begrotingsruimte. De financiële gevolgen van investeringen werken immers via rente en afschrijving gedurende vele jaren door in de exploitatie.
Vanaf 2028 resteert een structurele opgave
Hoewel 2027 sluitend is, laat de meerjarenraming vanaf 2028 tekorten zien. Die ontwikkeling nemen we serieus. Structurele lasten moeten uiteindelijk door structurele inkomsten worden gedekt. Het langdurig inzetten van reserves om een structureel tekort op te vangen is daarom geen duurzame oplossing.
Tegelijkertijd kent het meerjarige financiële beeld onzekerheden. Bij de raming van het gemeentefonds kiezen we bewust voor een behoedzame benadering. Niet alle mogelijke toekomstige inkomsten worden vooruitlopend op nadere besluitvorming als financiële ruimte ingeboekt. Ook bij specifieke rijksmiddelen wordt deze lijn gevolgd. Zo wordt voor de CDOKE-middelen vanaf 2028 niet het volledige verwachte bedrag van circa € 1,2 miljoen geraamd, maar alleen het deel waartegenover op dit moment aantoonbare bestaande lasten kunnen worden geraamd.
Een belangrijke onzekerheid betreft de financiering van de jeugdzorg. Begin 2027 wordt een nieuw advies verwacht van de deskundigencommissie Hervormingsagenda Jeugd onder voorzitterschap van Tamara van Ark. Het eerdere advies van deze commissie heeft geleid tot aanvullende rijksmiddelen voor gemeenten en tot een aanzienlijke verzachting van de eerder ingeboekte besparingen voor 2026 en 2027.
Het nieuwe advies kan gevolgen hebben voor het financiële kader voor de jeugdzorg vanaf 2028. Hierop lopen we in deze begroting niet vooruit. Eventuele aanvullende middelen zijn niet als financiële ruimte opgenomen. Daarmee kan het financiële perspectief na het verschijnen van het advies gunstiger uitvallen, maar daar bestaat op dit moment nog onvoldoende zekerheid over om hiermee in de begroting rekening te houden.
Ook de verdere ontwikkeling van de verdeling van het gemeentefonds kan het meerjarenperspectief beïnvloeden. Het ingroeipad van de herijking is voorlopig bevroren; een volgende stap is voorzien per 1 januari 2029. Bij de eerdere berekeningen van de herijking kwam Hellendoorn uit op een voordeel van circa € 73 per inwoner, waarvan tot nu toe € 37,50 per inwoner in het ingroeipad is verwerkt. Het destijds berekende nog niet gerealiseerde voordeel bedroeg circa € 1,3 miljoen per jaar. Omdat vervolgonderzoek nog nodig is en onzeker is in welke mate dit voordeel uiteindelijk wordt gerealiseerd, hebben we hiermee in het financieel perspectief geen rekening gehouden.
Koers voor de komende jaren
De tekorten vanaf 2028 vragen daarmee om aandacht, maar ook om een zorgvuldige fasering van de besluitvorming. Het is niet verstandig om structurele tekorten uitsluitend op basis van verwachte toekomstige rijksmiddelen als opgelost te beschouwen. Tegelijkertijd is het evenmin wenselijk om nu al maatregelen te treffen voor een financiële opgave waarvan de omvang door landelijke ontwikkelingen nog wezenlijk kan veranderen.
We benutten de komende periode daarom om de ontwikkeling van het financiële perspectief nauwgezet te volgen. Het nieuwe advies over de Hervormingsagenda Jeugd vormt daarbij een belangrijk ijkmoment. Zodra hierover meer duidelijkheid bestaat, kan beter worden bepaald welke structurele opgave daadwerkelijk resteert.
Daarbij kijken we breder dan alleen naar bezuinigingen. Het gaat om de samenhang tussen onze ambities en het beschikbare financiële kader, het tempo en de fasering van investeringen, de ontwikkeling van inkomsten en autonome uitgaven en de keuzes over het voorzieningenniveau dat we als gemeente duurzaam kunnen dragen.
De uitgangspositie van Hellendoorn biedt ruimte om deze afweging zorgvuldig te maken. Tegelijkertijd maken het hoge investeringsniveau, de oplopende financieringsbehoefte en de tekorten vanaf 2028 duidelijk dat herstel van een structureel sluitend meerjarenperspectief een belangrijke financiële opgave voor deze bestuursperiode is.